Je weet al lang wat er speelt. Dus waarom blijf je hetzelfde doen?

 

Wij mensen zijn luie wezens, en dat bedoel ik niet als oordeel maar als constatering van hoe efficiënt we in elkaar zitten. Want als we elke gedachte opnieuw zouden moeten bedenken, elke berekening opnieuw zouden moeten doen en elke zin opnieuw zouden moeten formuleren, dan zou je dag nergens meer over gaan behalve over nadenken. Dus wat doen we: we denken steeds dezelfde gedachte, of in ieder geval hetzelfde soort gedachte, en doordat we dat doen wordt die gedachte steeds makkelijker om te denken, totdat we niet eens meer in de gaten hebben dat we hem denken. Zo ontstaan gedachtenpatronen. Dat scheelt ons enorm veel denktijd.

Gedachtenpatronen zijn onze superpower. Op deze manier hebben we onze intelligentie ingezet om alles te bouwen wat je om je heen ziet, van bruggen tot bedrijven tot systemen die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat we vergeten hoeveel denkwerk daarin zit. Als elke wiskundige opnieuw bewust moest nadenken over hoeveel tien maal tien is, of als elke ambtenaar zich steeds opnieuw moest afvragen hoe zij een correcte Nederlandse zin formuleert, dan zou de wereld er een stuk trager uitzien. Gedachtenpatronen zijn superefficiënt. Maar die efficiëntie heeft een prijs, en die prijs betaal je van binnen.

De eerste valkuil is simpel en tegelijkertijd genadeloos: je gelooft wat je denkt. Niet omdat je dat bewust besluit, maar omdat het vertrouwd voelt. Je hebt die gedachte al zo vaak gedacht dat hij waar is gaan lijken. En als er iets gebeurt dat daar niet mee klopt, dan gebeurt er iets interessants: je brein selecteert vooral datgene wat bevestigt wat je al dacht en filtert de rest er moeiteloos uit. Dat heet confirmation bias, maar je hoeft die term niet te onthouden om te snappen wat er gebeurt. Je ziet wat je al gelooft. En hoe vaker je het ziet, hoe sterker je het gelooft. Zo houd je je eigen verhaal in stand, zonder dat je doorhebt dat je het doet.

En als al onze gedachten alleen over cijfers of taalregels zouden gaan, dan was dat nog overzichtelijk. Maar de meeste gedachten gaan over mensen. En met stip op één: over jezelf. Dan wordt het ineens een stuk minder objectief. Want je kijkt naar jezelf door een bril die je zelf hebt geslepen, en je bent zo gewend geraakt aan dat beeld dat je vergeet dat je die bril überhaupt op hebt.

Als je slim bent, wordt dit nog subtieler en daarmee hardnekkiger. Je kunt namelijk perfect uitleggen waarom je gelijk hebt. Je kunt je eigen redeneringen onderbouwen, nuanceren, versterken, en juist daardoor merk je minder snel dat je in cirkels denkt. Je intelligentie wordt dan geen middel om vrijer te worden, maar een instrument om je eigen overtuigingen steeds steviger neer te zetten.

Probeer maar eens iets eenvoudigs: pak een gedachte die je vaak hebt over jezelf of over een ander en draai hem eens om, niet om hem te vervangen, maar om te zien wat er gebeurt. Niet omdat het tegendeel per se waar is, maar omdat je dan merkt hoe sterk je gehecht bent aan wat je al dacht. Dat ongemak dat je dan voelt, dat zegt meer dan de gedachte zelf.

Geloven in je eigen gedachtegang klinkt onschuldig, maar het kan je leven ongemerkt heel klein maken. Als jij bijvoorbeeld diep van binnen overtuigd bent dat anderen jou niet echt zien of waarderen, dan ga je overal om je heen bewijs vinden dat dat klopt, je bevestigt daarmee wat je al dacht, en voor je het weet voelt dat als de realiteit waar je in leeft. En tegelijkertijd is het niet te doen om elke gedachte die je hebt te analyseren en in twijfel te trekken, want dan ben je alleen nog maar bezig met denken over denken. Dus de vraag wordt interessanter: wanneer kun je jezelf geloven, en wanneer houd je jezelf in stand?

De tweede valkuil gaat nog een stap verder. Je bent je gaan identificeren met je gedachten. Wat je denkt voelt als wie je bent. Alsof jouw gedachten jou maken en niet andersom. Alsof je er niets aan kunt doen dat je denkt wat je denkt, en alsof je zonder die gedachten minder jezelf zou zijn. Zeker op momenten dat je moe bent, of druk, of gewoon bezig met je leven, neem je je eigen denken automatisch serieus. Het voelt logisch, dus het zal wel kloppen.

En zo kijken we ook naar anderen. We horen wat iemand zegt, zien wat iemand doet, en plakken daar moeiteloos een betekenis op die we vervolgens “die persoon” noemen. Terwijl een mens natuurlijk veel meer is dan de gedachten die hij of zij uitspreekt. En als je heel eerlijk kijkt: wie is degene die jouw gedachten waarneemt? Er is blijkbaar iets in jou dat kan zien wat je denkt. Dat alleen al maakt dat jij je gedachten niet bent.

Gedachten zijn er om de wereld hanteerbaar te maken, om grip te krijgen op wat er gebeurt, om pijn te voorkomen en om onzekerheid te verkleinen. Denken is in de kern een beschermingsmechanisme. En dat werkt, tot het moment dat die bescherming je gevangen houdt in iets wat allang te klein is geworden.

Zolang je volledig samenvalt met wat je denkt, voelt het leven alsof het je overkomt. Alsof je reageert op wat er gebeurt in plaats van dat je er invloed op hebt. Terwijl die invloed er wel degelijk is, veel meer dan je nu waarschijnlijk ervaart. En daar begint het werk waar ik met mensen in stap.

De vraag die overblijft is geen theoretische, maar een hele praktische en tegelijkertijd ongemakkelijke: waar in jouw leven ben je zo overtuigd van je eigen gelijk, dat je niets nieuws meer toelaat?

Als je nu voelt dat je hiermee verder wilt, schrijf je dan eens in voor een Avondje Intens! Hier onderzoeken we met elkaar het verschil tussen weten en ervaren.